Dit zijn Jan en Anja. Onze sympathieke buren op de camping. Zij begroeten mij minimaal 14 keer per dag met ‘goedemorgen danwel hallo danwel hoi danwel goedemiddag danwel goedenavond danwel alles goed danwel lekker he danwel gaatie’ , omdat de route naar de sanitaire voorzieningen vóór onze ukkepuk 2.0 loopt. Ik ben de kwaadste niet, dus zeg ik 14 keer ook met enige variatie iets terug (je wilt tenslotte ook sympathiek overkomen op een campinkje met 4 plekken).
14 Keer per dag naar het sanitair levert bij mij vragen op; gelukkig heb ik nog een week tijd om onderzoek te plegen naar het ‘waarom’.
Jan is een fanatiek visser op professioneel niveau; ik gooi slechts een hengeltje uit. Jan houdt heel veel van Anja; Anja houdt heel veel van Jan, want Anja heeft zich vorig jaar door Jan laten overhalen om SAMEN te vissen! Hij heeft voor haar een hengel gekocht, weliswaar 4 meter korter dan de zijne, maar, het Ćs een hengel!
Tijdens het vissen zitten beiden slechts ƩƩn meter uit elkaar. Iedere visser weet dat deze afstand gering is. Na enige observatie openbaren zich de redenen voor deze afstandskeuze:
Jan friemelt namelijk voor Anja het ‘wormpje’ lees ‘made’ aan het daarvoor bestemde haakje maat 13. Anja vindt dat (ik citeer Anja) ‘vies, maar vooral zielig voor het wormpje want het beestje kronkelt dan zo’. Als Anja ‘beet heeft’ (6 maal tijdens mijn observatie, Jan 0 maal), gaat dat vergezeld van een enthousiaste gil gevolgd door ‘ik heb er weer ƩƩn Jan!!’ Jans reactie is ‘onderkoeld” te noemen.
De scene die zich dan ontvouwt verdient een Oscar voor de beste bijrol (voor Jan): met een iets te ongecoƶrdineerde en vrij forse beweging (er zitten, voor zover mij bekend, geen haaien in het viswater) rukt Anja de hengel omhoog met daaraan een voorntje van ongeveer 10 cm, slingert die diverse malen rondom het hoofd van de evenzo diverse malen bukkende Jan, die uit alle macht, doch in gecontroleerde stilte, probeert het visje uit de lucht te grijpen, onderwijl hartstochtelijk aangemoedigd door Anja.
Na het afleggen van een aantal rondjes door de lucht belandt het visje in de grijpgrage (visgerelateerd) handen van Jan. Niet Anja, maar Jan onthaakt hƔƔr (!) visje, want Anja vindt het weer zielig en vooral glibberig. Vervolgens verordonneert Anja Jan om het visje, voordat Jan het visje terugzet in het water, omhoog te houden ten aanschouwen van de gniffelende campinggasten: ‘Ik heb er wƩƩr ƩƩn!’. Tenslotte haakt Jan, nog steeds zwijgend, een nieuw wormpje voor Anja aan.
Liefde kan vƩr gaan, tƩ ver; voor Jan is er geen weg meer terug; mijn oogappel zal nooit vissen!
